Het 20e district
We lopen door het twintigste district van Parijs op een snikhete zomerdag. ‘Ik heb een knipbeurt nodig’, constateert mijn man. Hij troont me mee naar een leegstaand flatgebouw, dat op het punt staat gesloopt te worden. In een ruimte op de begane grond staat op de kale betonnen vloer een eenvoudig plastic stoeltje. Tegen een muur staat een deel van wat ooit een grote spiegel was. Aan twee zijkanten zijn stukken afgebroken, maar het restant wordt hier gebruikt als kappersspiegel. Stoel, spiegel, schaar, wat zou je nog meer nodig hebben om kapper te zijn? Op de stoel een zwarte man. De kapper is ook zwart. Iedereen hier is zwart, want dit hier, is Afrika.
In een andere hoek van de kale ruimte staan drie Malinese vrouwen in kleurige gewaden te praten en te lachen. Onderwijl koken ze op twee roestige butagasjes. In de gebutste, oude pannen zitten zo te ruiken verrukkelijke rijstgerechten. Voor twee euro mag je een bordje mee-eten. Het romantische Parijs van de Mona Lisa, de Eiffeltoren of de Champs Elysee, lijkt mijlen weg. Dit is een pied-á-terre van Afrika, compleet met alle warmte, eenvoud en kracht van het moedercontinent. Alleen aan de hand van een Afrikaan ontdek je dit Andere Parijs. De meeste toeristen hebben hier vast geen weet van. ‘Jammer voor hen’, denk ik. Mijn man krijgt zijn knipbeurt voor een paar euro, we eten een bord Jolofrijst. Ik merk tevreden op: ‘Nu ben ik toch in Afrika geweest.’
Paula Koot, augustus 2011











